Fredericus Curtenius [3]

(Uit de Historie #10)

De notulen van 26 Aprilis 1610 tot Harderwyck vertellen ons dat Ds. Frederico Curtenio voldaan heeft aan het gevraagde in de vorige vergadering. Er staat dat hij de leden van de vergadering ‘genoechsame ghetuychnissen‘ getoond heeft. Ja, al voor hij naar Garderen is gekomen, in de tijd van het begin van zijn predikantschap in Denekamp. Hij toont bewijsstukken dat hij na een voorafgaand examen toegelaten is tot het ambt. Sommige leden trekken dat echter in twijfel.

Het lijkt de vergadering het beste om, nu Curtenius in het vierde jaar hier is, de bevestiging achterwege te laten. Wel wordt er besloten dat voortaan de bevestiging van een predikant niet zal, noch behoort te worden uitgesteld. Ook zelfs al zou hij zich voorlopig in een plaats vestigen. De bevestiging van een predikant zal dus in het vervolg direct geschieden.

In artikel 21 van deze vergadering beklaagt ds. Curtenius zich over het achterblijven van reparaties aan de kerken te Garderen en Kootwijk. Door de kerkmeesters worden de hiervoor bestemde kerkelijke inkomsten niet gebruikt. De Schout zal hiervan in kennis gesteld worden en als dat niet helpt zal de ‘Deputatis Classis ditselvige aen den Edele Hoove overschryven‘.

Ds. Fredericus Cortaenius, zoals de scriba in 1611 schrijft, is enige tijd niet in zijn dorpen geweest. Hij is vertrokken naar zijn vaderland, zonder toestemming van de gedeputeerden. Daarvoor is hij te censureren. Dit wordt nog eens in 1614 opgetekend. Heeft zijn afwezigheid te maken met de toestand in zijn familie of van zijn woning? Als je artikel 9 leest, ga je het laatste denken.
Artikel 9: Betreffende de woonhuizen. Sommige dienaars beklagen zich over de nalatigheid van de kerkmeesters. Die zorgen er niet voor dat hun woonhuizen gerepareerd, dicht gemaakt en gedekt worden. In het bijzonder is dit het geval in Garderen, Ohn (= Oene) en Heerde.
Het bestuur van de classis wordt de opdracht gegeven om de kerkmeesters van die plaatsen waar dit noodzakelijk is, te vermanen dat zij er voor zorg dragen dat hun dienaars niet meer hoeven te klagen. Mochten ze in gebreke blijven, dan zal over hen bij het Hof beklag gedaan worden.

Op diezelfde bijeenkomst ligt er een schrijven van de predikant van Garderen op tafel waarin hij zich beklaagt over ‘eenen onbequamen Custer‘ (= koster). De Jonkers van Barneveld hebben hem zonder voorkennis en tegen de wil van predikant en gemeente van Garderen aangesteld.

De Gedeputeerden van de Classis zullen voornoemde ‘custer’ examineren om te zien of hij bekwaam is en of hij lidmaat is. Wanneer dat niet zo mocht zijn zullen ze met de Schouten van Barneveld bespreken dat hij  afgezet dient te worden. Zo dit niet gebeurt, zullen ze dat het Edele Hoff te kennen geven.

H.E.v.d.V.