Fredericus Curtenius [4]

(Uit de Historie #11)

De samenwerking met de Jonkers en de Schouten is niet zo bijzonder goed. Telkens weer klaagt ds. Curtenius. In 1612 moet men de schout van Garderen vragen om de verscheidene onkosten die de predikant maakte op de classicale vergaderingen te vergoeden. Tevens verzoekt hij om het verlengen van zijn overeenkomst met Cootwijk. De pastorie daar schijnt er slecht aan toe te zijn, omdat hij jarenlang leeg heeft gestaan. Men zal de Ambtsjonkers schrijven daarin te voorzien. Ze moeten ‘neerstigheid aanwenden‘ dat de weem (= woning van de predikant) daar mag opgetimmerd worden. Tevens moet alles betreffende de kerckengoederen in orde gemaakt worden. Dit alles opdat men over zal kunnen gaan om een predikant voor Kootwijk te beroepen.

Burgemeester Nairac schrijft: ‘… dat Kootwijk arm was en dat de zaken zoveel mogelijk door onderlinge hulp werden in orde gehouden. Zoo leest men, dat in 1614 de staketsels om de Wheem door een boer die wat tymmeren kende geaccommodeerd zijn, en dat eenige jaren later, de kerk door een diaken is opgeverfd omdat de kerk zo arm was‘.

Het zijn de Jonker, Schout en de ‘gemeene kerspelsluiden van Cootwijck die ernstlijcken‘ verzoeken in 1615 dat de Classis haar met een bekwaam persoon voor de Kerk van Kootwijk, die nu een tijdlang onbediend gebleven is, zou willen voorzien. Daarom is het dat de Classis besluit en opdracht geeft dat de eerstkomende zondag over acht dagen Ds. Johannes Kinzius samen met Ds. Ellardo van Mehen zich in Kootwijk zullen vervoegen. Hij zal zijn gaven aan de goede gemeente aldaar tonen door een tekst uit het Heilig Evangelie te verklaren.
Vervolgens zal een schrijven aan Jonker, Schout en Kerkmeesters gericht worden waarin de Edele Heren verzocht zal worden om daar ter plaatse present te zijn. Dat de wereldlijke overheid beslist over de kerkelijke zaken komen we telkens weer tegen. Het is in de Kerkorde van 1591 vast gelegd.

Bij de komst van de eerste predikant van Kootwijk, ds. J. Kinsius blijkt opnieuw de macht van de overheid. In 1616 zegt de classis dat ds. J. Kinsius eerst de toestemming van het Hof moet hebben. Daarna, de Deputaten ‘testimonia, beroepinghe ende approbatie des Hoves gesien hebbende‘ zullen zij tot zijn promotie voortvaren en daarvan de in de vergadering van de classis verslag doen. Is dit voor elkaar, dan pas zal hij als lid van de classis worden aangenomen. In 1617 verschijnt ds. Kinsius als predikant van ‘Coetwick’ op de classis. Vanaf die tijd is ds. Curtenius dus niet meer predikant van de twee gemeenten Garderen en Kootwijk, maar alleen van Garderen.

Hoe de predikanten en eerder de pastoors, vanaf ongeveer 1560 tot 1617, onze twee gemeenten hebben kunnen bearbeiden begrijp ik niet. De afstanden waren niet minder dan nu en een auto, fiets en telefoon had men niet tot zijn beschikking. We weten alleen dat beide gemeenten niet veel inwoners hadden. Naar schatting samen zo’n twee, hooguit driehonderd zielen. Van een verdere regeling weten we niets. Wel dat Essen en Garderbroek kerkelijk bij Garderen blijven behoren.

H.E.v.d.V.