Timanus Alberti [3]

(Uit de historie #5)

Opnieuw komt de kwestie van de bevestiging van Alberti aan de orde in de vergadering te Nijkerk op 17 augustus 1596. Men vraagt zich af wat men moet doen nu de Schout noch op de twee schrijvens, noch op de vermaning van de dienaar van Nijkerk gereageerd heeft. Besloten wordt om de Edele en Hooggeleerde Raadsheer Doctor Voeth uit Arnhem te vragen de Schout te Barneveld te vermanen en hem te verzoeken deze zaak te bevorderen.

In de vergadering te Elburg in april 1597 komt deze kwestie opnieuw aan de orde. Hoewel nergens met zoveel woorden vermeld, ga je denken dat de overheid van Barneveld geen behoefte had aan een predikant der Reformatie. Al enkele jaren wachten de dienaren van Voorthuizen, Elspeet en Garderen immers op bevestiging in het ambt. Hetzelfde komt nog verschillende keren aan de orde terwijl Alberti gewoon zijn dienstwerk in de kerk te Garderen en Kootwijk verricht. De classicale vergadering van 1598 en 1599 besluiten opnieuw tot bevestiging over te gaan maar of het werkelijk gebeurde, is onbekend.

Omdat voor verschillende dienaars (ook die van Garderen) de kosten voor de reis naar de classicale vergadering te bezwaarlijk zijn, wordt het Hof te Arnhem gevraagd ‘daer in de nootdruft te verschaffen‘. In 1599 wordt Alberti opnieuw tot scriba van de vergadering gekozen.

In de synode is besloten om de Dienaren op het platteland te gerieven en hen in de dichtbij liggende steden te laten preken, opdat zij zich daardoor zouden oefenen. Hiervoor wordt een rooster opgemaakt. Wegens zijn ouderdom wordt Alberti niet ingeroosterd.

De gemeenten in de classis doen in de vergadering van 15 april te Eep in het jaar 1600 (ja, het jaar van de bekende slag bij Nieuwpoort) verslag van hun toestand. Timannus Alberti verklaart dat het gehoor tamelijk is, er komen dus wel mensen naar de kerkdiensten. Tevens verklaart hij dat hij nog geen middelen ziet om een gemeente op te richten. Alberti vraagt de classis in 1602 en nogmaals in 1603 om via de Heren van de Kerkenraden te Arnhem te vragen aan het Edele Hof om een behoorlijk onderhoud.

In 1603 wordt Alberti evenals de dienaren te Voorthuizen, Heerde en Barneveld opgeroepen te trachten een eind te maken aan de Lijkpredicatien in hun plaatsen.

Wanneer Timanus Alberti overleden is weten we niet precies, maar wel vóór 12 juli 1603. In de notulen van de Provinciale Synode te Harderwijk op 12 juli lezen we: ‘De weduwe van Tijmanno Alberti, overleden dienaar tot Garderen, is een voorschrijven verleent van den E.synodo aen de heeren Gedeputeerden des Veluwschen Quartiers om in haere klachten geholpen te werden’. Hetzelfde verzoek wordt via de classis nog eens gedaan in 1606.

Van Alberti weten we verder niets. Had hij kinderen? Is zijn weduwe later naar Harderwijk verhuisd? Wel weten we dat hij, evenals de vroegere pastoor Egbert Willems, op 2 september 1600 de malenkeur van de Maalschap Kootwijk ondertekent. Met hem tekenen ‘buerscholt, holtrichters en scholten van Barneveld en Voorthuizen.

H.E.v.d.V.