Johannes à Mandeville

(Uit de Historie #14) In Kootwijk is ds. Johannes Kintzius predikant van 1617 tot zijn overlijden in 1627. In zijn plaats komt ds. Johannes à Mandevile. Slechts enkele jaren blijft hij in Kootwijk. Na het overlijden van ds. Curtenius wordt hij namelijk predikant te Garderen.

Wie is ds. Mandeville? Waarschijnlijk zijn zijn voorouders als Hugenoten uit Frankrijk gevlucht. Het voorgeslacht komt mogelijk uit Normandië. Daar liggen twee heel kleine dorpjes die Mandeville heten. Hier schijnt de familienaam vandaan te komen.

In het voorjaar van 1981 bracht onze koster, dhr. H. Slijkhuis, mij in contact met een Amerikaanse mevrouw. Zij was hier op zoek naar haar voorouders. Ze had vernomen dat er in Garderen een monument te vinden was dat aan haar voorouders herinnerde. Zij wees mij op het nummer van De Halve Maen (het orgaan van de Hollandse vereniging in New York, jrg. 54, nr. 3 uit 1979) waarin een artikel over de genealogie van Mandeville stond. We nemen er iets uit over.

Te Leeuwarden moet omstreeks 1579 tot 1583 Joannes de Mandeville gewoond hebben. Van hem zijn drie zonen bekend: Michael, Bernardus en Nicolaas. Alle drie worden ze ingeschreven als student te Franeker. Michael wordt in 1601 benoemd als eerste stadsgeneesheer en rector van de Latijnse school in Nijmegen en is daar van 1618 tot 1634 schepen van de stad. Michael is in 1601 te Franeker gehuwd met Maria de Rade. Zij is omstreeks 1580 te Antwerpen geboren en dochter van de typograaf en landschapsdrukker Aegidius (Gillis) van de Rade te Franeker en Sara [verder namen onbekend]. Uit dit huwelijk worden tien kinderen geboren. De oudste is Joannes.

Waarschijnlijk is hij in 1601 te Franeker geboren. Op 3 september 1617 wordt hij, zestien jaar oud, burger van de stad Nijmegen. Aan de universiteit van Franeker wordt hij op 3 september 1620 als theologisch student ingeschreven en drie jaar later aan de universiteit te Leiden. Weer een jaar later (1624) komen we Joannes de Mandeville tegen als docent Hebreeuws aan de ‘Illustre school’ te Harderwijk. Van hier gaat hij in 1626 naar Doesburg waar hij conrector is van de Latijnse school en tevens voorzanger. In 1628 wordt hij, als tweede, predikant te Kootwijk in plaats van de overleden ds. Kintzius.

In Harderwijk trouwt ds. Mandeville met ‘Trijntgen Wilms van Harderwijk’. Op 18 mei 1625 vindt de derde proclamatie van hun huwelijk plaats. Uit dit huwelijk wordt zoon Aegidius geboren die juni 1626 te Doesburg gedoopt wordt. Deze Aegidius (ook wel Gillis of Yelis genoemd) komt, in 1659, met het schip De Trouw aan in Amerika. Hij noemt zich dan Gillis Jansen van Garderen. Waarschijnlijk is hij omstreeks 1648 in Garderen getrouwd met Elsje Hendricks. Als hij uit ons land vertrekt heeft hij vier kinderen die in Garderen geboren en gedoopt zijn.

(Uit de Historie #15) In de notulen van de classis te Elburg op 9-13 Aprillis 1627 lezen we over zijn komst in Kootwijk:
Aan de Edele Classis is door de Inspectoren het verzoek van de ingezetenen van Cootwijk bekend gemaakt. Zij hebben dominee Joannes Mandeville, wiens gaven door henlieden met groot genoegen beluisterd zijn, begeerd tot een geordende dienaar in hun plaats.

De classis heeft zijn levensloop, leer en kennis bezien en overwogen. Zowel van de kerk en de schoolraad te Harderwijk, als mede van de kerk en de stad Doesburg zijn er goede berichten. Goedgevonden wordt dat Ds. Mandeville door de Gedeputeerde van de Synode en de Inspectoren van de Classis met enige predikanten uit de naaste omgeving geëxamineerd zal worden. Heeft hij dat examen tot tevredenheid afgelegd, dan zal men hem een schriftelijk beroep uit naam van de classis doen toekomen.

Tot voltrekking van dit beroep worden aangewezen D. Hajo Cornelij en Otto ab Hetteren om die twee eerste afkondigingen te doen. En ds. Fredericus Curtenius om die derde en laatste afkondiging en de daarop volgende bevestiging te Kootwijk te doen.

Ds. Mandeville zal de gevraagde goedkeuringen ontvangen hebben en het  examen met goed gevolg hebben doorstaan. Vervolgens is hij in de kerk te Kootwijk bevestigd door zijn ambtsbroeder ds. Curtenius van Garderen. Dit zal zeker in 1627 gebeurd zijn, want op de volgende vergadering van de classis, op 19 april 1628 te Harderwijk, wordt ‘Joannes Mandevil, beroepen tot Cootwijck, van de Classe voor ditmael aengenomen, onderschreven hebbende de Formulieren van Eenigheyt’. Dominee Mandeville is predikant in Kootwijk.

In de acta van 1629 las ik iets dat me jaren heeft beziggehouden. Al jaren  zoek ik naar de betekenis van dit artikel in de classicale notulen:
Heeft Dominee Joannes Mandeville geexhibiert (= vertoond) den Classis een seker tractaetijen int Frans eerst geschreven van Jacobo Capollo Professor Sedaninh, oover die voornaemste puncten der Religie, t’ welck hij uijt het fransche getranslateert (= vertaald) heeft int duis, um tho moegen laten drucken: twelck na dien sulckx allreede bij de Deputatis Classis gevisiteert en gelesen, end christelick gevonden is, heeft Classis, daer niets tegens hebbende tho gelaten, niets t’ sollen eerst geconfereert worden met het origineele daer tho gedenomineert is Dnus Lucas Trilcatius Ecclesia Elburgensis Administer’.

Het gaat dus over een boekje, oorspronkelijk in het Frans geschreven door professor Jacobo Capello uit Sedan. Het handelt over de voornaamste punten van de Religie. Ds. Mandeville heeft dit boekje in het Nederlands (Duis) vertaald. Van de classis krijgt hij goedkeuring om dit werkje te laten drukken, nadat het door de Elburgse predikant met het origineel zal zijn vergeleken. Maar hoe ik gezocht heb… Niemand kent dit boekje, noch in het Nederlands, noch in het Frans heeft men het voor me kunnen vinden.

Van de opleiding voor predikanten aan de universiteit in Sedan is nu weinig meer terug te vinden. We hebben bij diverse ‘kenners’ geïnformeerd. Ze hebben ons niet veel wijzer gemaakt. Wel ontdekten we dat aan dezelfde L’Académie Protestante et Pasteures, Guido de Brès professor was in 1562 (bekend van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Sedan wordt in die tijd wel het Genève van het Noorden genoemd. Veel Hugenoten vonden hier een toevluchtsoord. In het mooie stadje aan de Maas, in de Franse Ardennen, heeft men mij ook niet verder kunnen helpen. Evenmin anderen die bekend zijn met het Protestantisme in de zestiende en zeventiende eeuw in Frankrijk.

(Uit de Historie #16) Dominee Mandeville gaat naar Garderen. De acta van 26 april te Elspeet 1630 vertellen ons:
Ds. Joannes Mandeville V.D.M. tot Cootwijck, is tot die van de kerke van Garderen beroepen ende ds. Rutgerus ab Eijbergen h.h. Theol. Cand, wederom tot Cootwijck‘. Dit na overleg met de Inspectoren van de classis. Omdat op de genoemde plaatsen, Garderen en Kootwijk, geen kerkenraad is, zijn de Inspectoren van de Classis  belast om met het beroep van beide plaatsen op de voornoemde personen een begin te maken. ‘Te weten de beroepinge van Garderen op Dominee Joannis Mandeville en de beroepinge van Cootwijck op Dominee Rutgerus ab Eijbergen. Dit opdat de predikantsplaats van Garderen, ‘die nu sehr lange gevaceert heeft, ende oick Coitwijck voorts worden versien‘. We zien dat in de zomer van 1630, Garderen weer een predikant heeft: ds. Mandeville.

Of men zo blij geweest is met deze predikant mag men met enig recht betwijfelen. De predikanten die de gemeenten namens de classis bezocht hebben brengen van hun ervaringen verslag uit in de vergadering van 24-26 April 1632 te Harderwijk:
De Inspectoren van de classis doen verslag van hun visitatie aan de gemeenten in de classis. Zij verklaren eerst dat zij, door Gods genade ‘meest alle kerkcen wel en in goede ordre‘ gevonden hebben. Vervolgens delen zij mee dat dit van dominee Mandeville te Garderen niet gezegd kan worden. Na zorgvuldig onderzoek hebben ze bevonden dat het laakbare gerucht juist blijkt te zijn. Tot grote ergernis van zijn toehoorders en tot droefheid van de classis, ja tot ‘disreputatie‘ van alle predikanten is hij op ‘sekeren Sondagh op den predickstoel gecomen bijgecomen sijnde door onmatigh drincken‘.
De vergadering verklaart hierover van harte haar leedwezen en misnoegen. Nadat ds. Mandeville deze zijn grote fout bekend heeft, bestraft de classis hem ernstig. Deze keer wordt hem geen zwaardere censuur opgelegd en men zal hem verder niet onder tucht zetten, gelijk hij wel verdiend heeft. Men hoopt dat hij in de toekomst voorzichtiger en christelijker zal leven. Ds. Mandeville heeft dit ook beloofd. Men zal het bij deze bestraffing laten. Wel op voorwaarde echter dat indien hij zich op deze of een ander manier onbehoorlijk mocht gedragen, en er klachten of geruchten ter ore van de ‘Deputatis Classis’ mochten komen (en deze waar zijn bevonden), dat de classis opdracht en volmacht zal hebben om hem van zijn dienst te schorsen. Eveneens zal deze schorsing dan gelden voor wat betreft zijn tractement.

Het is nog al wat: een dominee die dronken op de preekstoel staat. Dat dit tot klachten en ergernissen aanleiding heeft gegeven, is te begrijpen. De classis hoopt dat na deze bestraffing de predikant zijn leven zal beteren.

(Uit de Historie #17) Na de bestraffing in 1632 schijnt het jaren goed te gaan met de Garderense predikant. Maar opnieuw komen er beschuldigingen ter tafel. Velen van ons kunnen zich niet indenken dat zoiets bestaan heeft in die tijd: de bloeitijd van de Nadere Reformatie. Maar helaas is ds. Mandeville niet de enige waarvan zoiets van te vertellen is.

In 1639 spreekt men van ergerlijke geruchten betreffende ds. Mandeville. Verschillende ingezetenen van het kerspel, de beide kerkmeesters in het bijzonder, hebben met grote ‘droeffheyt en hertenseer‘ onder ede verklaard dat ds. Mandeville weer in zijn vorige fout is vervallen. Ds. Mandeville erkent schuldig te zijn en hij verzoekt de classis om hem niet meer dan enkele weken te schorsen.
Besloten wordt dat hij van 7 mei tot 9 juli vervangen zal worden door een achttal door de classis aangewezen en genoemde ambtsbroeders.
En is deze last de broeders opgelegd ‘na verhoor van saecken, ter meerdere eeren van der name Gods, stichtinge der kercken of Classis, weringe der ergernissen, en respecte van onse hoochweerdighe ministerio (= alle predikanten)’.
Ter plaatse zullen de predikanten naar eer en geweten handelen in overeenstemming met de artikelen van onze classicale akten en met de artikelen 79 en 80 van de aangenomen kerkenorde. Acht weken lang verzorgen anderen de kerkdiensten.

Geholpen heeft het helaas niet! Vijf jaar later op de mei-vergadering van 1644 zijn er opnieuw verscheidene klachten over zijn ergelijke leven:
Er heerst grote droefenis bij de gehele vergadering, die na lang gebruikte zachtmoedigheid van haar kant veel eer beterschap dan opnieuw ergernis verwacht had. Echter vele punten zijn er waarop ds. Mandeville schuldig bevonden wordt. Bevonden is dat hij ‘niet af en laet van sijne continueele (= onophoudelijke) dronckenschap‘. De censuur waarmede de classis reeds eerder dreigde en waaraan hij vroeger uit eigen bekentenis was onderworpen, zal nu plaats vinden. De Classis zal tot voldoening van haar geweten en op hoop van zijn verbetering hem eerst voor zes weken van zijn predikambt schorsen.
In die tijd zal men er op letten of hij die tijd ‘geduyrende, sich neerstelijck sal laten vinden in zijne kercke‘.
Men zal er ook op toe zien dat hij voortaan zijn huisgezin met vrouw en kinderen, volgens het voorschrift van een goed opziener, beter zal regeren met soberheid, zachtmoedigheid en voorzichtigheid. Na die zes weken zal men bij goede veranderingen besluiten de schorsing op te heffen. Zo niet, dan zal deze schorsing opnieuw met zes weken verlengd worden. Mocht dit alles niet helpen, dan zal men ds. Joannes à Mandeville ‘smadelijck deporteren‘ (= verbannen).
Het besluit van deze vergadering zal de komende zondag in zijn gemeente Garderen van de kansel afgelezen worden. Wat moet dat een droeve zondag geweest zijn voor de gemeente en voor het predikantsgezin.

(Uit de Historie #18) In het al eerder genoemde Uddel en Uddeler Heegde komen we op 20 September 1630, onder de gerechtigden van de maalschap, deze naam tegen: ‘Johannijs predijckant tho Gerder, dijn maellschap gewonnen maer, t nijet betaalt.  betaelt ende tho boek gesteld bij den ontfanck’. Waarschijnlijk zijn predikanten in verband met pastoriegoederen in de maalschap gerechtigd.

In 1654 tekent hij de rekening van de maalschap, en in de rekening van 1656 lezen we: ‘1651 den 16 Mey tot Garder verteert met de Schout, predicant, van Geijn, Onderschout, Schouten voerman, aen cost en drank 8-10-0. (gulden, stuiver, penningen)’.

Vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw krijgen we de beschikking over meerdere bronnen.
In het Oud archief van de gemeente Barneveld (inv. nr. 221) vinden we gedeelten van rekeningen van de kerkmeesters. Deze rekeningen werden door de kerkmeesters opgemaakt en daarna door de Ambtsjokers in hun vergadering bekeken en goedgekeurd.

De eerste die we vinden is de:
‘Rekeninge van de kerkelike Inkomsten tot Garder, vertonenede den ontfank ende uijtgave van den jare 1650 tot den jare 1658. Incluis nevens restanten en de schulden, opgesteld bij de kerkmeesteren Gijsbert Gijsbertsen en Henric Aartsen.’
De inkomsten vermelden bedragen die ontvangen zijn voor de pacht van verschillende stukken land: het Sint Teunisland, de Kerkenkamp, stukjes land gelegen in de ‘Grondt’, in de Meervelder Eng, Jan Egberts hoeve te Spuelde, op het Zol, Boeschoten, Hartger Egbertsens erf te Essen, Aart Gijsberts erf en Teunis Lubbertsens erf in Garderbroek, een akkertje in de Bomen eng.

Aan de uitgaven-kant zien we allerlei posten van reparaties aan de kerk en de weem (pastorie), onkosten gemaakt wegens de bediening van het avondmaal. Steeds weer komt de post voor ‘bier’. De ene keer een half vat, de andere keer tien kannen.

Enkele posten lichten we er even uit:
* Oct. 1656: ‘Voor de Gerder kerck de nieuwe banck gemaeckt daer de predikant ende kerckmeisters in sitten die de kerckmeister Gisbertsz ende predikant Mandevijl, van mijn hebben gekost soo voor hout de nagels de twee isere schigels daerop en hengsels en arbeyts loon voor 24 gulden en 6 stuivers’.

* De reeds eerder genoemde Yellis [of Gilles] (die naar Amerika zou vertrekken) heeft bij reparaties aan de kerk in 1655, vijf dagen takken gebonden tot bossen en tevens geholpen bij het kloven van latten. Hij verdiende hiervoor 2 gulden en 16 stuivers.

* Item is op den 14 December 1651 bevonden in presentie van D. Mandeville ende H.Aartsen ten huijse van Ds. Mandeville aan Gijsbertsen int geheel de summe van 40 gl 10 st.

In 1637 is het eerste exemplaar van de nieuwe Bijbelvertaling, in fluweel gebonden, goud op snee, aan de Staten-Generaal aangeboden. Toch heeft het nog lang geduurd eer de Statenbijbel was ingevoerd. De broeders van de classis Nederveluwe worden in 1639 vermaand te bevorderen dat de nieuwe overzetting op de kansels gebracht wordt. Wegens zijn verzet wordt de Elburgse predikant ds. Hanius zelfs geschorst omdat hij zich minachtend over de Statenbijbel had uitgelaten: ‘daervan uytroepende, hetselve niet anders te siin als nieuwicheden, in sich te vervatten oneerbaerheyt ende oock alleen om particulier profiits wille aen den dach gecomen te siin.’
In 1647 blijkt dat Garderen, Kootwijk, Vorchten Oldebroek en Elspeet nog steeds in gebreke zijn gebleven. In de rekening van 1656 lezen we bij de uitgaven dat Henric Aartsen heeft uitgegeven voor ‘Kerke Bijbel ende Psalmboek’ een bedrag van 22 gulden.

We weten niet precies wanneer ds. Mandeville overleden is, maar zeker vóór april 1557. Dan wordt zijn opvolger namelijk in de notulen van de classis genoemd.

H.E.v.d.V.