(Uit de Historie #112) Terwijl ds. I. de Leeuw op 1 december 1765 afscheid preekt, staat in het oktober-nummer van de Boekzaal al dat ‘Garderen vacant staat te worden nademaal de Wel Eerwaarde zeer geleerde Heer en zeer geliefde Herder en Leeraar, Ds. I. de Leeuw, na dat zyn Eerwaarde pas een vierendeel jaars hier gestaan heeft, tot onze groote droefheid, van hier na IJsselmonde, onder de E. Classis van Schieland beroepen is, en zyn Eerwaarde na eenige dagen beraad dat beroep in de vreeze des Heeren heeft aangenomen. Vermits de Kerkenraad voorneemens is, om zo spoedig als mogelyk is, tot een nieuw beroep over te gaan, zoo worden de Heren Proponenten die genegentheid mogten hebben hunne gaven te laten horen, verzogt hoe eerder hoe liever over te komen‘. Blijkbaar is dat ook gebeurd.
De kerkmeester van Garderen Hendrik Gerritsen doet uitgaven in verband met de predikbeurten gedurende de vacature. Hij toont daarbij een lijst waarop een bedrag van 164 gulden genoteerd staat. Verder ‘aan dubbeltjes bij het halen van de predikanten als anders met vertoning van een lijst zes gulden en 5 stuivers’.
Pas 28 april 1766 wordt de eerste vergadering van de kerkenraad in het notulenboek geschreven. Aanwezig zijn de leden van de kerkenraad en de predikanten van Voorthuizen en Putten. Er wordt een lijst samengesteld; hierop staan 10 predikanten en 10 proponenten. Op zes mei wordt beroepen tot ‘Herder en leeraer Den Eerwaerde en Welgeleerden Heer Serphaas Benjamin van Bleijenburgh predikant te Oene’. Ds. van Bleijenburgh bedankt beleefdelijk voor het op hem uitgebrachte beroep.
Daarom komt op 8 juli de kerkenraad weer bijeen. Nu wordt een lijst van 11 proponenten en 1 predikant gemaakt. Hieruit maakt men een zestal en vervolgens een drietal. Hieruit wordt met meerderheid van stemmen beroepen proponent J. Sluiter, te Utrecht. De beroepsbrief wordt gereed gemaakt en ondertekend door ds. Rietmeijer van Voorthuizen en ds. Colpaar van Putten. Verder staan er de handtekeningen van de ouderlingen Jakob Wouterzen, Rijk Willemzen, Rutger Garritzen, Johannes Hendrikz en Jan Hendrix van Meerveld; en de diakenen Janssen Hendrikz, Klaas Evertz en Jan Gijsbertsen.
De koster krijgt de opdracht om deze brief ‘in eigen Persoon aan de Beroepenen te brengen’. De volgende dag wordt de ‘acte van Beroeping’ aan J. Sluiter overhandigd. Nadat hij gezien heeft dat deze beroeping wettig is ‘heeft hij dezelve in des Heeren vreeze aangenomen’.
(Uit de Historie #113) Johannes Sluiter is geboren te Rouveen en daar op 3 december 1741 door zijn vader gedoopt. Nogal eens wordt als geboortejaar 1742 genoemd. Hij stamt uit een bekend geslacht. De Navorscher van 1900 vermeldt ‘dat de afstammelingen tans nog overig zijn in verscheidene aensienlike geslachten inzonderheid in Gelderland en Overijssel’.
Als eerste kennen we Albert Sluiter, burgemeester van Borculo. Diens zoon Tileman Sluiter is bekend als brouwer en korenhandelaar te Neede. Uit diens huwelijk met de brouwersdochter Geertruid Saalkink, wordt onder anderen Willem geboren. Deze Willem Sluiter behoorde tot een van de bekende predikant-dichters uit de zeventiende eeuw, waartoe ook behoorden Revius, Van Lodenstein en Van Vollenhove. Als bewijs van zijn ijdelheid kennen we zijn gedicht:
“Maar hoe vrolijk zijn mijn gangen
Als ik laat in d’avondstond
Langs de straat, zo menig mond
Tot Gods lof, mijn eigen zangen
Uit veel huizen galmen hoor!
’t Raakt mijn herte door en door”.
Als predikant heeft hij van 1653 tot 1665 in Eibergen gestaan. Door de oorlogshandelingen vluchten velen. Immers Bernhard van Galen (Bommen Berend), bisschop van Munster valt de Achterhoek binnen! Ook Sluiter vlucht. Uiteindelijk wordt hij predikant te Rouveen in 1673. Zoon Johannes wordt predikant te Raalte en later te Steenwijk. Diens zoon Wilhelmus is predikant te Rouveen van 1723 tot 1776. Deze Wilhelmus is getrouwd met Agneta Schutte dochter van Otto Schutte, Richter van Diepenheim. Uit dit huwelijk worden zeven kinderen geboren, waarvan twee zonen.
Otto Rutger Egbertus Sluiter is van 1777 tot zijn overlijden in 1796 predikant in zijn geboorteplaats Rouveen. Evenals zijn vader is hij in de kerk te Rouveen begraven. Door de lange band die predikanten uit het geslacht Sluiter met de kerk in Rouveen hebben, is het niet onbegrijpelijk dat de christelijke school voor voortgezet onderwijs de naam Willem Sluiter draagt.
Johannis is de oudste zoon van Wilhelmus Sluiter. Johannis schrijft in zijn niet uitgesproken intreerede te Diemen: “Ik heb lust in mij gevonden om de bediening van een leeraar der gemeente te bekleeden en mij alzoo bezig te houden in ’t zelfde werk waarin mijn vader en voorvaders sedert meer dan eene eeuw zich bezighielden. Van jongs af heb ik getracht mij daartoe bekwaam te maken. Van de mij aangebodene gelegenheden, om vorderingen te maken in die wetenschappen, welke mij ter waarneming der bediening, waartoe ik mij zocht voor te bereiden noodig en nuttig waren; heb ik naarstig zoeken gebruik te maken”.
(Uit de Historie #114) Johannis Sluiter heeft vijf jaar gestudeerd in Groningen en vervolgens twee jaar aan de Universiteit te Utrecht. Te Utrecht wordt hij proponent. Het beroep naar Garderen dat hij 9 juli 1766 ontvangt, neemt hij aan.
Te Nijkerk wordt daarom op 4 september een ‘extra-ordinaire’ vergadering van de classis gehouden. Leiding van deze vergadering is in handen van de ‘visitatoren van de classis’. Dat zijn de predikanten: ds. J.A. Schimmelpenning (Harderwijk), ds. J.H. Coopsen (Veessen) en ds. Heincken (Doornspijk). Aanwezig zijn de predikanten uit Harderwijk, Nunspeet, Elspeet, Cootwijk, Barneveld, Voorthuisen, Nieuwkerk, Putten en Ermello. Na ‘met gepast gebed geopent’ te zijn wordt binnengelaten ds. A. van den Berg beroepen predikant van Breuchem en Kerkwijk tot Barneveld. Zijn beroep wordt geregeld. Vervolgens vindt het examen van Johannes Sluiter plaats.
Allereerst heeft de examinandus een gedeelte ‘van de opgegeven proeftekst 2 Corinthe 7 : 1 op den predikstoel verklaart, en de predikatie daarover volledig geschreven op de tafel gebragt, waarin de Edele vergadering dat genoegen nam, dat sijn Eerwaarde tot het verdere examen is toegelaten‘.
Dit examen ‘over de Waarheden en de Taalen’ wordt hem afgenomen door de predikanten van Nieuwkerk en Voorthuizen. In het Hebreeuws vraagt men hem over Psalm 87 en in het Grieks over het teksthoofdstuk van de proefpreek 2 Corinthe 7.
Het examen wordt voortgezet met onderzoek naar de theologische waarheden, de dogmatiek, in het bijzonder rakende de verschillen met de Remonstranten.
Met ‘sijne bij uitstek vaardige en net gepaste antwoorden heeft hij sulk een groot genoegen gegeven dat sijn Eerwaarde met volle ruimte, als gewoon Herder en Leeraar aan des Heeren gemeente te Garderen is toegewesen, met toewensching, dat de Alderhoogste sijn Eerwaarde bij aanhoudentheit, de nodige vermogens ende genade moge schenken, om sijn heilig dienstwerk, met lust en vrugt te verrigten, tot behoudenis van vele zielen‘.
De bevestiging tot predikant vindt plaats op zondag 28 september 1766 nadat hij de gemeente driemaal is voorgedragen. Bevestiger is zijn vader ds. Wilhelmus Sluiter, predikant van Rouveen. Als bevestigingstekst neemt hij Mattheus 18:12. Aan de handoplegging nemen deel behalve zijn vader, ds. Nagel van Nijkerk en ds. Martinius van Elspeet. In de middagdienst doet Johannes zijn intrede met ‘de verklaring van den Psalm 134’.
(Uit de Historie #115) In de notulen van december 1766 staat dat Geertruid Sluiter, een zus van de predikant, vanuit Rouveen is overgekomen. Zij zal zeker in de pastorie haar broer behulpzaam zijn geweest. Geertruid is, evenals Johannes, ongehuwd.
In het Trouwboek komen we op 30 maart 1774 de inschrijving tegen van het huwelijk van de predikant. We lezen daar:
1774 30 Maart:
Op attestatie van Thamen aan den Uithoorn ingeschreven De WelEerwaarde Heer Joannes Sluiter Bedienaar des goddelijken woords in de gemeijnte te Garderen
en
Mejuffer Eva Dermout Jonge Dogter gebooren te Leijden, onlangs gewoond hebbende te Amsterdam thans wonende te Thamen aan den Uithoorn.
Welke Persoonen na 3 onverhinderde Huwelijks voorstellingen zo hier als te Thamen, en te Amsterdam gehad te hebben alhier op den 21 sten April in den Echtenstaat zijn ingezegend.
(Thamen aan den Uithoorn behoorde vroeger bij de gemeente Mijdrecht tot ze in 1624 een eigen predikant kreeg in de vroegere monnik Johannes de Gys. Het ligt op de grens van Noord Holland en Utrecht. Bij Uithoorn in het plassengebied).
Kort na het huwelijk gaat zus Geertruid terug naar Rouveen. Uit het huwelijk worden drie zoontjes geboren.
• Willem wordt op 23 januari 1777 gedoopt. Zij vader doopt hem op zondag 26 januari. Als doopgetuige is Agneta Schutte de weduwe van de overleden predikant van Rouveen aanwezig.
• Twee jaar later op wordt 12 maart 1779 Isaac geboren. Bij de doop op 14 maart treedt als doopgetuige op Anna Joosting, weduwe van de Heere Isaac Dermout.
• Op 4 mei 1782 wordt weer een zoontje geboren. Op 5 mei bij de doop krijgt hij de naam Jan Otto.
De oudste zoon Willem wordt proponent te Amersfoort. Op 13 september 1799 wordt hij op collatie van Vrouwe Carolina Medioburgensis Bentinck geboren van Borsselen beroepen te Zalk. Hij wordt daar 8 december bevestigd. Ruim een jaar later op 12 januari 1801 is hij aan een ontsteking in de longen overleden.
De tweede zoon Isaac wordt proponent onder Over-Veluwe. Op 1 mei 1801 wordt hij te Zalk beroepen in zijn broers plaats. Op 5 juli wordt hij door zijn neef ds. J.J. Dermout, predikant te Amersfoort bevestigd. Later is hij predikant te Zaltbommel (1806), Arnhem 1807 en ‘s-Gravenhage (1809). Meermalen is hij lid van de Synode. Lid van de commissie voor de zaken der Indische kerken en secretaris van het Genootschap tot verdediging van den christelijken godsdienst. Zijn zoon Jan Jacob is later eveneens predikant. Hij was ridder der orde van de Nederlandsche Leeuw. Hij is overleden op 16 mei 1636.
Jan Otto, de derde zoon, wordt in 1803 te Deventer hoogleraar. Hij trouwt in 1806 met Catharina Hermana Proper, dochter van Hermanus Proper te Vollenhove. Hun zoon Hermanus Henricus studeert in Leiden en wordt later predikant te Terwolde, Vlaardingen en Amsterdam.
Jan Otto was bestemd voor het predikambt maar koos toch de klassieke talen, ook beoefende hij de wis- en natuurkunde en de rechtsgeleerdheid. Hij werd doctor in beide rechten. In 1803 wordt hij hoogleraar in de Griekse welsprekendheid en de Griekse letterkunde.
Jan Otto overlijdt te Deventer op 8 februari 1815. Een van de nakomelingen van Jan Otto is Willy Sluiter (Jan Willem is zijn eigenlijk naam). Deze Willy (1873-1949) is vooral bekend door de affiches die hij maakte. We noemen de slogan: ‘Laat niet als dank voor ’t aangenaam verpoozen, den eigenaar van ’t bosch de schillen en de doozen’. Najaar 1999 is er een tentoonstelling in het Dordrechts museum, aan zijn werk gewijd.

(Uit de Historie #116) Omdat de tegenwoordige leden van de kerkenraad ‘reeds lang over den tijd in de bediening geweest waren’ wordt besloten om de verkiezing van nieuwe leden 25 november 1766 te houden. Tot ouderling worden gekozen: Egbert Lubbertzen van ’t Garderbroek en Hendrik Teunissen van Essen; tot diaken Jan Hendrikz van Stroe.
De volgende jaren leveren niets bijzonders. Regelmatig komt men bijeen voor het houden van censura morem en voor de verkiezing van leden voor de kerkenraad. Jaarlijks is er het bezoek van de Heren Inspectoren voor de kerkvisitatie.
In april 1769 wordt het verzoek van de classicale vergadering besproken. Iedere kerk in deze classis zal ‘zoveel als ze goedvindt tot opbouwing van een School en Kostershuis te IJssum’ geven. Op de kerkvisitatie die in juni gehouden wordt, wordt aan de visitatoren 2 gulden en 10 stuivers meegegeven. Lang heb ik naar het plaatsje gezocht. Dhr. J.G.J. van Booma van het Centraal Bureau voor Genealogie vertelde me dat het Issum moet zijn. Dit ligt in Duitsland niet ver over de grens, in de buurt van Kalkar, in het graafschap Kleef.
In ‘Das Evangelische Rheinland’ deel 1 staat een beschrijving van de geschiedenis van de gemeente. In 1579 schatte men daar de avondmaalsgasten uit Issum, Horstgen en Geldern op duizend. In 1598 wordt de streek door de Spanjaarden verwoest. Na de 30-jarige oorlog behoort Issum tot de Arnhemse Synode. Met hulp van ‘hollandische Gaben’ wordt in 1768 een ‘Schulhaus’ gebouwd.
Tijdens de vergadering van 4 april 1773 is er op het gedrag van de Ledematen niets aan te merken. ‘Als alleen dat de vrouw van een lidmaat nadat zij ruim vier maanden getrouwd waaren, was in de kraam bevallen, op welk boos gedrag hij behoorde te worden bestrafd, en hem tot hij berouw toonde op zijn bedreeven kwaad, bevolen zich van ’t Avondmaal te onthouden’.
In oktober van hetzelfde jaar wordt er alleen gezegd ‘dat een Lidmaat verdagt werd gehouden van een oneerbaar levensgedrag en dat daar strek van werd gesproken’. Deze persoon is ‘in ’t Particulier’ aangesproken. Hij ontkent echter alles en betuigt op de sterkste wijze zijn onschuld, zodat men deze zaak verder laat rusten.
Bij de verkiezing van een ouderling in april 1780 schijnen de stemmen te staken. Voor het eerst lezen we in de notulen dat het lot gebruikt werd: ’tot ouderling voor Jan Wouterzen te Stroe is met het lot tegen Janszen Hendrikzen beroepen Aart Hendrikzen van Meerveld’.
Op 26 juni 1780 is de kerkenraaad bijeen in verband met de jaarlijkse kerkvisitatie. Alles blijkt naar genoegen te zijn van de Inspectoren.
Men verzoekt om een ‘buiten gewoone liefdegave voor eenmaal uit de Diakonie cas medete delen voor de gemeente van Aschweiler die een vrije godsdienstoeffening toegestaan zijnde, niet in staat waren het tractement te geven aan den Predikant, zig daartoe bij onze Sijnodens hadden vervoegt, weshalven men een Capitaal zogt aan te leggen om de interessen daarvan Jaarlijks tot dat eijnde aan die gemeente te kunnen uitdeelen‘.
Met dit plaatsje wordt Assweiler bedoeld. Het ligt ongeveer 15 kilometer ten oosten van Saarbrucken. In de ‘Inventaris van de archieven behorend tot het Oud Synodaal Archief van de Nederlandse Hervormde Kerk, 1566-1816’ worden stukken genoemd die op de gecollecteerde gelden betrekking hebben.
De kerkenraad van Garderen wil naar haar vermogen daar aan meewerken en stelt de Heren Inspectoren vier gulden ter hand. In het diakonieboek worden die dan ook verantwoord.
(Uit de Historie #117) We kijken deze keer even naar het diakonieboek in de periode van ds. Sluiter.
De inkomsten voor de diakonie bestaan allereerst uit de collecten. Jaarlijks brengen die ongeveer 300 gulden op. Verder wordt bij het overlijden aan de diakonie voor het ‘baarlaken’ 1 gulden en 10 stuivers betaald. Van verschillende diakonieen wordt een bedrag ontvangen omdat personen die bij die gemeente behoren in Garderen ondersteuning krijgen, dit zijn de bijzondere armen.
Bij verkopingen en verpachtingen van goederen en landerijen wordt een bedrag in de armenbus gedaan. In de pastorie is een bus voor de armen waarin meestal zo’n gulden of vijf zit. Van de bezittingen die de diakonie heeft wordt pacht gebeurd, onder andere van de Spijkermaat te Essen (12) en het kosterhuis. (20). Verder zijn er de Staversche, de Speulder, de Speulder Smalle en de Pastorie tienden die enkele guldens opbrengen.
Regelmatig worden bomen ten bate van de armen verkocht. Een andere keer de opbrengst van het erfhuis of de meubels, een stukje goud en andere bezittingen van overledenen die bedeeld zijn eveneens. Kerkenraadsleden die niet op de vergadering aanwezig zijn betalen hun boeten.
Oefeningen en catechisaties worden gehouden in De Heg, Stroe, Essen, Garderbroek, De Munt, Garderen, de kerk en in de school. Meestal is het bedrag per jaar tussen de drie en vijf gulden. De uitgaven die gedaan worden voor de eigen armen zijn meestal voor kleding, voedsel, onderdak, arbeid en turf. We komen tegen klumpen, kouzen en kluitschup. Slachtoffers van rampen en armen van elders krijgen meestal een klein bedrag aan geld. Soms krijgen ze toestemming om in de gemeente te bedelen. Vervolgens worden ze doorgestuurd.
Voor de kinderen van de armen betaalt de diakonie vaak het schoolgeld. De dokter en de medicijnen betaalt de diaken eveneens. In de tijd van ds. Sluiter is de dokter meestal chirurgijn De Vrind uit Harderwijk.
Het aantal uitbetalingen bedraagt ieder jaar zo’n 120 posten. De meeste posten zijn klein en bedragen minder dan een gulden. Maar voor een koe betaalde men soms 20 gulden, of 26, of 15-5! In 1771 krijgt de vrouw van Christiaan Hendriksen te Barneveld tot een peerd 10 gulden.
Jaarlijks zijn er de onkosten en de huur van het kostershuis. Van de verkoop van de Speulderbomen en later van de Speulderheggen ontvangt de diaken beide keren een gulden. De houtverkoping aan de Ruwe Kamp levert 10 stuivers op. Voor de verkoop van de bomen op het ‘Eijnd van ’t dorp’ wordt 18 gulden ontvangen. Sommige bijzondere armen worden jarenlang ondersteund.
Evertjen Poels krijgt van 1766 tot haar overlijden in 1810 iedere maand een bedrag uitgekeerd. Meestal 2 gulden en 10 stuivers. Later wordt dat 3 gulden. Waarschijnlijk kwam zij oorspronkelijk uit Kootwijk.
Aan Timen Dobbenberg en zijn kinderen Janus, Maria en Dirk worden regelmatig bedragen gegeven. Waarschijnlijk wonen zij in Koudhoorn, want in 1771 wordt voor getimmer aan zijn huisje 67 gulden betaald. Voor hen ontvangt de diaken weer geld van Heerde en Vaassen. Waarschijnlijk hebben ze daar vroeger gewoond.
(Uit de Historie #118) In de jaren dat ds. Sluiter in Garderen stond is ook de Nieuwe Psalmberijming gereed gekomen. Vanaf 1754 is er op de synode overgesproken. De Staten-Generaal geven in 1762 verlof tot verandering van de psalmen van Datheen. Uit drie bestaande bundels wordt het nieuwe psalmboek samengesteld. Ds. A. van de Berg uit Barneveld tekent als eerste. Over de invoering ervan in Garderen lezen we helemaal niets.
Enkele keren is er een beroep op ds. Sluiter uitgebracht. In november 1770 deelt dominee de kerkenraad mee dat hij ‘voorleden somer’ door de Hoog Welgeboren Heer L.S. Rengers Heer van Farmsum enz. verzocht was op het beroep van die plaats te komen preken. (Farmsum ligt bij Delzijl in de classis Appingedam.) Dit heeft hij toen om ‘bij hem wigtige redenen’ geweigerd. Ondanks die weigering heeft men hem nu toch weer beroepen. Tegelijk heeft hij ‘een aanzoek’ gehad van de gemeente Avereest.
Na enkele dagen van beraad heeft de predikant op de sterke liefdedrang van deze gemeente voor beide beroepen bedankt. Bij de kennisgeving aan de gemeente heeft hij een redevoering gehouden over 1 Thessalonicenzen 2:18: ‘Daarom hebben wij tot u willen komen eenmaal en andermaal’).
De gemeente Noordgouwe op Schouwen en Duiveland beroept ds. Sluiter in mei 1778. Bewogen door de liefdedrang van de gemeente besluit hij na veertien dagen te bedanken.
Op 18 maart 1782 geeft ds. Sluiter de kerkenraad te kennen dat hij van de gemeente van Diemen onder de classis van Amsterdam met eenparige stemmen tot Leeraar is beroepen. Die beroeping is door de Ambachtsheer P. Rendorp, burgemeester der Stadt Amsterdam terstond gunstig geapprobeerd (goedgekeurd). Hij zal het veertien dagen in beraad nemen.
Zes dagen later, op 24 maart bericht dominee de leden van de kerkenraad dat hij zich om ‘verscheidene bij hem gewigtige redenen’ verplicht gevonden had om het beroep naar Diemen in des Heeren vrees aan te nemen.
Op 10 juni wordt ds. Johannes Sluiter losgemaakt van de gemeente van Garderen. De volgende dag op de extra-ordinaire vergadering wordt hij losgemaakt van de classis Harderwijk. Ds. Sluiter verzoekt ‘in de weduwenbeurs te mogen blijven, dit wordt hem toegestaan.
Zondag 16 juni 1782 neemt dominee met een plechtige leerrede afscheid van zijn gemeente met de woorden van Paulus uit Hebreeen 13:20 en 21 ‘De God nu des vredes, die den grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen Testaments uit den dooden heeft wedergebragt [namelyk] onzen Here Jesu Christus. Die volmaake u in allen goeden werke, op dat gy zynen wille meugt doen! werkende in u het geen voor hem welbehagelyk is door Jezus Christus! den welken zy de heerlykheid in alle eeuwigheid, Amen‘.
De preek en de notulen besluit hij met: ‘Onder toewensching van al wat de gemeente dierbaar is en de bede dat de Heere hen eerlang eenen Leeraar zende in mijn plaats die met den vollen zegen in des Evangeliums tot hen kome. Het zij zo‘.
Voordat hij zijn intrede doet in Diemen is ds. Sluiter overleden.
(Uit de Historie #119) In de Boekzaal van juni 1782 wordt het overlijden van ds. Sluiter bekend gemaakt. We lezen daar:
Amsteldam den 21 Juny.
Daar de Allerhoogste in den weg zyner gerichten, dien hy met ons houdt, thans meer dan gemeen ons roept tot opmerking op zyne vrymagtige bestelling over het leven en den dood der stervelingen; en byzonder van zyne knechten, die met nut en lof arbeidden in zyne Kerk, is hier op heden een hartroerend strefgeval voorgevallen.
De Wel Eerwaarde zeer geleerde Heer Johannes Sluyter, is in den bloei van zyn leven, in het 40ste jaar van zynen ouderdom afgelost van zynen post, en in de eeuwige rust opgenomen; in zulke tyds omstandigheden, die elks aandoeningen moeten gaande maaken.
Die braave Euangeliedienaar had voorleden dag des Heeren den 16 dezer niet zonder moeite, zynen afscheid genomen van zyne geliefde Gemeente te Garderen; waar hy 15 jaaren met vrucht het Euangelium des Koningryks verkondigd had; zonder dat hy by voorkomende gelegenheden had kunnen besluiten haar te verlaaten.—
De schikkingen van zyn hart waren, om op den volgenden Zondag, den 23, zyne intrede te doen in het nabuurig Diemen, daar hy met verlangen te gemoet gezien wierd; maar de groote Albestierder heeft het anders beschikt; in zyne reis naar de Gemeente, die hem geroepen had, met zyn huisgezin ’s maandags hier gekomen zynde, aan het huis van zyn Behuwdmoeder Mejufouw de Weduwe van den Heer Isaac Dermout, is zyne ongesteltheid, en Rheumatieke bortsziekte zo geweldig toegenomen, dat hy tot ontzetting van elk, die van dit treffend geval kennis erlangt, heden reeds voor de kracht van de ziekte is bezweeken; laatende zyne bedrukte Weduwe, voor dewelke hy agt jaaren in den echt was vereenigt geweest, achter met drie Zoons, die aan eenene Vader, zo als de Overledene was, onuitdrukkelyk veel verliezen. De oudste is nog geen 6 jaaren oud, en de jongste is een zuigeling van 6 weeken.—
Meer zal van deezen Leeraar den Boekzaallezer niet bericht worden.—
Zyn Eerwaardig geslagt is in de Kerk zo zeer bekend, dat alle melding hier van overbodig is.
Van zyn character, zal elk die hem gekend heeft, niet ophouden met lof te spreeken; en de gedachtenis van dit treurig sterfgeval zal uit het geheugen van veelen, niet ligt uitgewischt worden.
In februari 1783 maakt de Boekverkooper Wessing te Amsterdam bekend dat gedrukt is ‘Tweetal van Plegtige Leerredenen, zynde de eerste eene Afscheids-rede over Heb. 13 : 20 en 21 uitgesprooken te Garderen den 16 den van Zomermaand. En de tweede eene Intree-rede over Kol. 1 : 28 opgesteld om gedaan te worden te Diemen, den 23 van Zomermaand door Johannes Sluiter, Predikant te Garderen, beroepen te Diemen, doch overleden te Amsterdam, den 21 ste van Zomermaand 1782.
De leerredenen zijn uitgegeven onder opzicht en met een voorbericht van Rutger Schutte, predikant te Amsterdam. Na voorgaand 0nderzoek en goedkeuring van de gecommitteerden der Classis Amsterdam door Johamnnes Wessing, Willemsz. Het boekje kost 11 stuivers.
In de collectie Bouwheer in het Gemeente archief in Barneveld is een gedeelte van het boekje te vinden. Sinds kort is het archief in Barneveld in het bezit van het boekje zelf.
(Uit de Historie #120) Uit het boekje nemen we enkele passages over die op Garderen betrekking hebben.
Ds. R. Schutte schrijft in het voorwoord van de Leerredenen:
… Te Garderen stond hij niet zonder zegen en opgewektheid van onsterflijke zielen, die hij Jezus liefde aanprees, met een hart dat door Jezus liefde aangeraakt was. Zijn dienst was daar, ook den heiligen aangenaam en zeer nuttig …
Vervolgens beschrijft hij het verloop van de ziekte:
… hij gevoelde in de week toen hij van de Neder Veluwsche Classis losgemaakt werd des Donderdags den 13 den van Zomermaand reeds de beginselen van de zinkingskoorts eene volksziekte, die genoegzaam gansch Europa doorgewoed heeft.
… ’t Werd met hem den volgenden Vrijdag en Zaterdag merkelijk erger. Echter deed hij, hoewel met zeer veel moeite zijn Afscheidsrede te Garderen den volgenden dag des Heeren, zijnde den 16 den van Zomermaand. Zijne tedere zugt, om tot het laatste toe, aan zijne lieve Garderensche gemeente van nut te zijn deed hem nog dien dag, zelfs tot laat in den avond, met opgewekte, verlegene, bekommerde en treurige zielen, van welke hij scheiden zou, tot aansporing, bestierig, opbeuring en vertroosting, meer dan zijne krachten het toelieten, spreeken.
Des anderen daags, vertrok hij met een ongesteld, en afgetobt ligchaam langs een zandigen weg, en in een brandende zonneschijn, die door het zand noch heeter werd, en kwam ’s avonds zeer laat met zijne vrouw en drie kleine kinderen te Amsterdam aan ’t huis van zijn waarde schoonmoeder, Juffrouw de weduwe Dermont.
Hij lei zich daar aanstonds te bedde en de ziekte nam Dingsdag, Woensdag en Donderdag dermaate toe, dat hij niet tegenstaande er zich Donderdag ’s avonds noch een flikkering van hope opdeed Vrijdag ’s ochtend overleed.
Weinig heeft hij op zijn sterfbedde kunnen spreeken, zijnde door de kracht der ziekte overmand en door ijlhoofdigheid van de koorts welke op de hersens viel, daarin belet. Eenige oogenblikken echter voor zijne dood zei hij tot zijne godvruchtige en hem tederlievende huisvrouw: “Ik ga heen! Dit is sterven”.
Zij daarop met traanende oogen antwoordende: “Dat dit een harde boodschap was, voor haar en hare drie onnozele kinderen, toonde hij vans Jobs gesteldheid niet onkundig te zijn. Ziet zoo Hij mij doode zou ik niet hopen?” Want hij antwoordde haar met zijn stervende lippen: “God zal voor U en de kinderen zorgen”. Dit was zijn laatste woord.
De overledene was een man van een aangenaam karakter. Hij had een goed verstand een gezond oordeel, een vast geheugen, een welbespraakte tong, die zich doorgaans vloeibaar en gemakkelijk uitdrukte.
Hij was oprecht, zacht, vriendelijk, gul, en heusch van bestaan en ’t geen hem zeer tot sieraad verstrekte ongemaakt nederig en ootmoedig. Hij sprak uit dien hoofde niet veel, vooral van zich zelven; als er zich slechts eenige schijn opdeed, dat men te hoog van hem mogt denken.
Evenwel weet men zooveel, dat wanneer hij gul met iemand aan ’t spreken kwam in wien hij vertrouwen stelde, men klaar kon zien dat hij de Heer Jezus liefhad in onverderfelijkheid. En van die liefde tot Jezus, en brandende lust om zielen tot Hem te brengen; vindt men ook in deze twee Leerredenen, hoe weinig hij daarin van zelve meldt, vrij heldere stralen.
(Uit de historie #121) Uit de toepassing van de afscheidsrede van Garderen nemen we enkele stukjes over:
… Gij weet dat ik van mijne post aan deze plaats niet loop maar wettig afgeroepen word.
Hij bedankt de Ambtsjonkers voor alle blijken van achting en genegenheid en hij erkent met dankbaarheid dat zij zoveel mogelijk hebben getracht om zijn verblijf alhier te veraangenamen.
Vervolgens spreekt hij woorden tot de Schout van het ambt. Ook de naburige predikanten worden bedankt voor hun vriendschap en genegenheid.
Veel geliefde Ouderlingen en Diaconen hoe zou ik van U scheiden kunnen zonder u het goede te wenschen.
Wij hebben altoos in liefde en vriendschap met elkander verkeerd, en gij zult mij denk ik ook het getuigenis niet weigeren dat ik altijd getoond heb een man des vredes te zijn. Ik ben een vijand van verdeeldheid en twist, ik heb alles wat ik konde gedaan om de eensgezindheid te bewaren in ’t midden van ons opdat wij te samen mogten werken als opzieners tot heil van deze gemeente.
Gij mijne broeders hebt mij ook altijd behandeld, met de behoorlijke achting, gij hebt mij gegeven vele blijken van uw achting en genegenheid
Ik heb met veel aangenaamheid met u mogen verkeeren met den eenen meerder met den ander minder ik heb met u menig uur met stichting voor ons zelven doorgebragt. Waar gij tot mijn hulpe kondet zijn, hebt gij mij die niet geweigerd. Bij mijn scheiden van u zeg ik u voor dat alles vriendelijk dank, en verzeker u voor dat alles vriendelijk dank.
Ook kan ik u niet vergeten Schoolmeester en voorzanger dezer gemeente, het was mij aangenaam, daar de gemeente zonder leering en onderwijs der jeugd, het opkomend geslacht in geene bloei zijn kan dat de gemeente niet van dit voorregt is beroofd, maar gelegenheid heeft om onderwezen te worden in de eerste en nuttigste kunsten. Dit heeft ons blijde hope gegeven, dat uw bekwaamheden vlijt en naarstigheid het opkomend geslacht tot een zegen zou zijn.
Voorts mijn geliefde gemeente van Garderen die ik nu voor het laatst als de mijne beschouwen mag: ik moet u verlaten en vertrekken naar de roepende gemeente van Diemen om ook aldaar te verkondigen het Evangelie, dat ik u verkondigd heb. Ik heb gedurende mijn verblijf, van u veele aangenaamheden genooten, gij hebt mij steeds getoond veelvuldige bewijzen van uwe liefde en genegenheden tot mij en de mijnen in veelerlei opzichten hebben zeer velen uwer, daar ’t u mogelijk was getracht mij ’t leven te veraangenamen, gij hebt te dien opzichte geen reden van klachten.
Ik heb in eenvoudigheid met veel genoegen onder u verkeerd. Uwe vriendschap heb ik hoog geschat, en dezelve (zoover ik weet) bestendig onder ons gebleven, of ommers zoo er door misvatting eenig ongenoegen bij deze of die plaats greep, het was slechts voor een zeer korten tijd en heeft nooit de banden onzer vriendschap verbroken.
Wij hebben zonder twisten als vrienden onderling geleefd, ik heb steeds blijken van achting en genegenheid van U te samen ontfangen, waarvoor ik u op een plegtige wijz openlijk dankzegge.
(Uit de Historie #122) Na de inhoud van de intredepreek over Kolossensen 1:28 volgt de toepassing waarin hij de Gemeente van Diemen wil toespreken. Hij beschrijft kort zijn levensloop:
Ik kom tot u als een vreemdeling; en zal u van mijne afkomst, levensloop, en verrigtingen, dus zeer kort berichten. Ik ben geboren uit braave ouderen, en godsdienstig opgevoed.
Ik heb lust in mij gevonden, om de bediening van een’ Leeraar der Gemeente te bekleeden; en mij alzo bezig te houden in ’t zelfde werk, waar in mijn Vader en Voorvaders, sederd meer dan eene euw, zich bezig hielden. Van jongs af heb ik getracht mij daar toe bekwaam te maaken: en ten dien einde den tijd van vijf jaaren te Groningen, en twee jaaren te Utrecht op de Hooge School doorgebragt….
Terstond na het verlaten van de Hoge School ben ik als Evangeliedienaar geplaatst in de Gemeente van Garderen en heb aldaar vijftien jaar het woord van de levenden God verkondigd. Ik heb met veel genoegen aldaar verkeerd: ik heb, schoon met veel zwakheden en gebreken, echter met veel lust mijn dienstwerk verricht. God gaf mij een onafgebroken welstand; zo dat geene ziekte of ongemak in al dien tijd het waarnemen mijner bedieninge mij heeft belet.
De Heer gaf mij doorgaans lust en kragt, om in mijn werk bezig te zijn: en heeft ook mijne zwakke pogingen aldaar niet ongezegend gelaaten; ik heb er niet geheel zonder vrucht gearbeid. Ik genoot aldaar, veel liefde en genegenheid van mijne Gemeente.
Ik heb over geente bitterheden mij aangedaan te klaagen; zij hebben mij geen redenen gegeeven, om mijn werk zuchtend te verrichten.
Zeer veelen waren in liefde aan mij verkleefd: gelijk ik ook hen hartelijk lief had; en niet dan met eente treffende aandoening, hun konde vaarwel zeggen.
Hunne liefde, maakte mij aan hun gehecht: zo dat ik meermaalen, daar ik gelegenheid vond, om elders het Evangelie te verkondigen, op hun vriendelijk aanzoek, bij hen gebleven ben.
Hij spreekt hij de Ambachtsheer van Diemen en de opzieners van de gemeente toe. Heel mooi is de beschrijving van de manier hoe hij zijn ‘gewigtig werk’ in de Gemeente van Diemen hoopt te verrichten: Christus verkondigen! (pag. 83-89). Vervolgens spreekt hij tot de overheid en de Heer Bailluw van Amstelland, Schout en Schepenen, Buurmeesteren en allen die in hooghied, eer aanzien, en regeering over ons en bijgelegenen Gerechte, gesteld zijn.
Tenslotte dankt hij ouderlingen en diakenen voor de blijken van genegenheid. De gemeente wordt opgeroepen tot vrede, vriendschap, bescheidenheid, en oprechte liefde onder elkanderen: Zijt geen verkeerde bedillers; maar graage Toehoorders, om zielenvoedsel te trekken uit het Woord.
Mocht u het boekje in handen krijgen: Lees het!
H.E.v.d.V.